Astronomie
Lenzen prisma's en het zonlicht
- Gegevens
- Gemaakt op vrijdag 11 september 2026 17:07
- Laatst bijgewerkt op vrijdag 11 september 2026 17:25
- Gepubliceerd op vrijdag 11 september 2026 17:15
- Hits: 6
Het door middel van lenzen, prisma's en telescopen, beter begrip krijgen van het zonlicht
Niet alleen onze ogen ook lenzen, prisma’s, telescopen hebben een grote rol gespeeld in het onderzoek en begrijpen van het zonlicht en de breking van zonlicht.. Het is niet bekend vanaf wanneer mensen glazen leeslenzen gingen maken. Wel weten wij dat al vóór het jaar 1000, door monniken, stukken bergkristal werden gebruikt om tekst te vergroten: "leesstenen". Over het slijpen van deze stenen zijn geen duidelijke beschrijvingen gevonden uit die tijd. Voor zover bekend was er toen nog geen kennis over de breking van licht. Het succesvol slijpen van lenzen was waarschijnlijk een kwestie van trial en error en ontwikkeld vakmanschap.
In 1608 werd in Nederland door een brillenmaker een verrekijker uitgevonden
Het basisidee was eenvoudig: een bolle lens (objectief) vangt licht op;
een holle lens (oculair) vergroot het beeld voor het oog.
Dit was aanvankelijk vooral een militair en praktisch hulpmiddel om verre schepen of vijanden te zien. Toen de Italiaanse astronoom Galileo Galilei(1564–1642) in 1609 van de Nederlandse verrekijker hoorde, bouwde hij een telescoop. waarmee hij onder andere ontdekte dat jupiter manen had en dat de Melkweg uit vele sterren bestond. Johannes Kepler(1571–1630) beschreef het oog als een systeem dat licht ontvangt en bundelt, als een kleine camera. Het gevormde beeld valt op zijn kop op het netvlies. In 1621 ontdekte Willebrord Snellius (1580-1626), die Kepler en zijn werk kende, dat, wanneer licht van het ene doorzichtige materiaal naar het andere gaat, de verhouding tussen de sinus van de invalshoek en de sinus van de brekingshoek steeds constant is. Deze relatie staat bekend als de wet van Snellius.
Tegenwoordig beschrijven we deze eigenschap met de brekingsindex (n): een getal dat aangeeft hoe sterk een materiaal een lichtstraal afbuigt. Hoe groter de brekingsindex, hoe sterker het licht van richting verandert wanneer het een ander materiaal binnengaat.
De wet van Snellius maakte het mogelijk om nauwkeurig te berekenen hoe licht zich gedraagt in glazen lenzen. Daarmee werd een belangrijke natuurkundige basis gelegd voor het ontwerpen, verbeteren en slijpen van brillen, vergrootglazen, microscopen en telescopen.
Dankzij deze kennis konden, konden instrumenten worden ontwikkeld waarmee zowel de uiterst kleine als de zeer verre wereld zichtbaar werd. René Descartes(1596–1650) berekende dat de ooglens asferisch is en probeerde lenzen asferisch te slijpen.
Descartes deed rond 1637 onderzoek naar de regenboog en gebruikte glasbollen en prisma-achtige situaties om breking en kleurvorming te verklaren. Bij astronomen, raakte teeds meer bekend dat: Wie door een vroege refractor telescoop keek, niet alleen sterren,zag maar ook gekleurde randen. Heldere objecten kregen een blauwige of roodachtige zoom. Deze vervorming van kleuren heeft een simpele oorzaak met lastige gevolgen: glas buigt niet alle kleuren even sterk. Rood en violet nemen net andere routes, waardoor ze niet in één gezamenlijk brandpunt samenkomen.
Betere slijptechnieken hielpen niet tegen deze kleurvervorming Oplossingen met diafragma’s en langere brandpunten hielpen, maar maakten instrumenten groter en donkerder. Het werd steeds duidelijker dat kleur in het licht zelf meespeelt. Isaac Newton die van deze kleurvervorming via lenzen had gehoord, deed hiermee experimenten, door via een klein rond gat in een luik voor het raam, zonlicht door een prisma te laten vallen. Tot zijn verbazing zag hij aan dat het licht uiteen viel in verschillende kleuren.
Newton testte of het prisma kleuren “maakt” of alleen “sorteert” door een stukje van het spectrum, bijvoorbeeld rood, te isoleren en door een tweede prisma te sturen. De bundel werd opnieuw afgebogen, maar bleef rood, zonder tweede uitwaaiering. Daarmee kreeg elke kleur een eigen “breekbaarheid”, als eigenschap van het licht zelf. Het prisma breekt het licht in erschillende kleuren.
Met lenzen en prisma’s liet hij de gescheiden kleuren weer overlappen, totdat het resultaat opnieuw wit werd. Scheiden en combineren vormden één sluitend argument: je kunt de proef omkeren en weer bij wit uitkomen.
Enstatiet
- Gegevens
- Gemaakt op vrijdag 24 juli 2026 17:36
- Laatst bijgewerkt op vrijdag 24 juli 2026 17:52
- Gepubliceerd op vrijdag 24 juli 2026 17:36
- Hits: 30
Enstatiet(weerstand bestendig) is een gesteentevormend mineraal dat zeer hittebestendig is. De molecuulformule MgSiO3. Enstatiet ontstaat onder bij extreem hoge temperaturen die heersen in gaswolken rond jonge zonnen en druk. Enstatiet is waterstofrijk en komt veel voor in stollings- en metamorfe gesteenten, en ook in meteorieten of chondrieten die de met name de aardkern en mantel hebben gevormd
Op Aarde vind je het diep in de aardmantel en in vulkanische gesteenten. Omdat het een van de allereerste vaste stoffen was die condenseerde uit de gloeiende gaswolk rond de jonge Zon. Hieruit ontstonden de enstatiet chondrieten: de oer-planetoïden waaruit de Aarde is opgebouwd.
Enstatiet is wit, grijs, groenig of bruin. De brons-bruine variëteit van enstatiet wordt bronziet genoemd. De hardheid is 5,5 en de massadichtheid is 3,2 kg/l. Terwijl het mineraal enstatiet begon af te koelen en te condenseren uit deze gaswolk tot vaste kiezels, trad er een directe chemische interactie op tussen het vloeibare gesteente en het omringende waterstofgas. De waterstofatomen uit de nevel werden letterlijk ingevangen en opgeslokt door het poreuze, kristalliserende materiaal. De waterstof nestelde zich diep in de microscopische, niet-kristallijne delen (de glasachtige matrix of mesostasis) van de steen. daarnaast ontstond er een binding tussen et waterstof gas en het in enstatiet aanwezige zwavel. Deze chemische binding werkte als een kluis: het hield de waterstofatomen muurvast gevangen in het gesteente, waardoor ze de intense straling en hitte van de vroege Zon konden trotseren.
Het waterstof dat opgesloten werd in het enstatiet was extreem deuterium arm doordat de hitte van de jonge zon en de overvloedig aanwezige deuteriumarme waterstofatomen, de deuteriumrijke waterstoftomen drastisch deed verdunnen .van deuterium.
Sirius
- Gegevens
- Gemaakt op zaterdag 11 juli 2026 13:46
- Laatst bijgewerkt op zaterdag 11 juli 2026 13:46
- Gepubliceerd op zaterdag 11 juli 2026 13:46
- Hits: 47
Sirius (alpha Canis Majoris) is de helderste ster van de nachtelijke sterrenhemel. Omdat Sirius de helderste ster is van het sterrenbeeld Grote Hond (Canis Major) staat hij ook bekend als de Hondsster. Andere namen zijn Canicula en Aschere. Met een afstand van 8,6 lichtjaar is Sirius na de Zon het op zes na dichtstbijzijnde stersysteem. Sirius heeft ongeveer 2,4 keer de diameter van de zon.
Chondriet of meteoriet
- Gegevens
- Gemaakt op donderdag 23 juli 2026 11:59
- Laatst bijgewerkt op donderdag 23 juli 2026 11:59
- Gepubliceerd op donderdag 23 juli 2026 12:04
- Hits: 34
Meteorieten of chondrieten zijn meteoren die daadwerkelijk op het aardoppervlak terecht komt.
Meteoren zijn stukken rotsachtig ruimtepuin die met grote snelheid rond de zon bewegen. Soms botsen zij met verschillende hoeken en snelheden met de dampkring van de aarde.
Wanneer een meteoor met 108.000 km per uur en hoger onder verschillende hoeken, met de dampkring botst,. wordt lucht met zo'n hoge kracht samengedrukt dat de luchtlaag begint te gloeien. De buitenste laag van de meteoor kan dan tot 3000 graden verhit worden. Afhankelijk van de samen de samenstelling en grootte van de meteoor kan deze volledig verdampen.
Meteoren ter grootte van een knikker kunnen het aardoppervlak bereiken ter grote van een piepklein kiezelsteentje
Het aantal meteorieten dat in Nederland terecht is gekomen is op een hand te tellen. Een meteoriet die op 27 oktober 1873 neerkwam nabij het Overijsselse Diepenveen, mat 68 gram. Meteorieten zijn te herkennen aan een smeltkorst, een glazige gladde buitenkant.Hun kleur is meestal zwart of donkerbruin. Vaak zijn meteorieten zwak magnetisch.
Meghnad Saha (1893–1956)
- Gegevens
- Gemaakt op dinsdag 30 juni 2026 17:07
- Laatst bijgewerkt op woensdag 01 juli 2026 16:04
- Gepubliceerd op dinsdag 30 juni 2026 17:07
- Hits: 50
Meghnad Saha stelde 1920 de ionisatievergelijking op om de absorptielijnen (Fraunhoferlijnen) in het zonnespectrum beter te analyseren:de Saha-ionisatievergelijking.
Rond 1920 wisten sterrenkundigen wel dat de absorptielijnen verwezen naar bepaald elementen in de zon, maar ze begrepen niet waarom sommige streepjes sterk waren en andere bijna verdwenen.
Dit leide tot de misvatting dat de verhouding elementen in de zon gelijk was aan de elementen op aarde, zij het dat de elementen door de hoge temperatuur in de zon gasvormig waren.
Saha besefte dat de dikte of sterkte van de absorptielijnen niet rechtstreeks te relateren was aan de onderlinge verhouding van elementen op de zon.
Om tot een juiste inschatting te komen van welke elementen in welke verhouding op de zon aanwezig zijn. Moeten volgens Saha de temperatuur gemeten worden, de graad van ionisatie van de atomen en exitatiedruk van de elektronen.
De Saha-ionisatievergelijking zegt: hoe heter een ster is, hoe meer atomen hun elektronen verliezen, en daardoor worden de donkere lijnen in het spectrum zwakker. Een zwakkere donkere absorptielijn zegt dus niets over het aantal atomen van een element. Het zegt ook niets over de onderlinge verhouding tussen de verschillende waargenomen elementen.
wel kun je uit het spectrum en het licht van de zon afleiden welke elementen zich aan de opppervlakte van de zon bevinden en uit het licht zelf is de temperatuur van de zon af te leiden.
Zijn ionisatievergelijking liet zien dat de sterkte van een spectraallijn niet alleen afhangt van hoeveel van een element aanwezig is, maar ook van de temperatuur en de mate van ionisatie.
De spectraallijnen van waterstof zijn zeer zwak vergeleken met spectraallijnen van ijzer, natrium en calcium. die per atoom veel meer elektronen hebben. Dat ligt niet aan de hoeveelheid waterstof atomen in de zon Een waterstof atoom heeft slechts een elektron. wanneer dit door een hoge temperatuur geioniseerd is kan het niet in exitatieniveau 1of 2 komen en is het niet zichtbaar in het spectrum Dit omdat zij bij de opervlaktetemperatuur van de zon voor een groot deel geïoniseerd zijn. Ondanks het grote aantal waterstofatomen in de zon is dat daardoor niet waar te nemen aan de absorpietlijnen.
Door in zijn resultaten te verwerken uit laboratoria over ionisatietemperaturen van elementen, de exitatiedruk van elektronen en de temperatuur van de zon en deze te relateren aan de spectraalllijnen was het mogelijk exactere gegevens te krijgen over de samenstelling van elementen in de zon.
Saha was overigens niet degene die uiteindelijk die met zijn ionisatievergelijking de exactere samenstelling van elementen op de zon bewerkstelligde maar Cecilia Payne Kaposchkin(1925>


