medicatie

Het betreft hier zowel somatische medicatie als medicatie medicatie die gebruikt wordt in de behandeling van psychiatrische patiënten

Antipsychotische medicatie

Antipsychotische medicatie of antipsychotica worden gebruikt voor de behandeling van mensen die het contact met de werkelijkheid kwijt zijn. Dit kan zich uiten in dingen zien voelen of horen die er in werkelijkheid niet zijn, overtuigingen of wanen dat men bespioneerd wordt of dat men een ander persoon is, gedachten die voor anderen van de hak op de tak gaan , warrig zijn, versneld of juist vertraagd. Vaak ervaart degene die hierdoor getroffen is, zijn gedachten en ervaringen juist als heel helder.
De antipsychotische medicatie heeft vooral een zeer sterk kalmerend effect.
Mensen die het gebruiken kunnen het echter ook ervaren als versuffend. Het kan zijn dat het gebruik van de antipsychotische medicatie de onwerkelijke waarnemingen doet verminderen en zelfs doet verdwijnen. Dit effect treedt echter niet altijd op. De overtuiging dat men iemand anders is bijvoorbeeld "Jezus", hoeft niet weg te zijn en kan ondanks deze medicatie blijven bestaan. Mensen die tijdens een psychose een soort heldere waarnemingen en gedachten ervaren, ervaren in de regel wel dat deze ongewone helderheid sterk afneemt en zelfs verdwijnt en ervaren dit weer als een groot gemis.

Seroquel

<TITLE>Seroquel of quetiapine

Inhoud


Waarom een artikel over Seroquel?:

In de periode dat ik werkzaam was in de psychiatrie zag ik een sterke toename in het voorschrijven van Seroquel bij patiënten met een psychotische stoornis. Seroquel wordt gezien als een effectief atypisch anipsychoticum met minder ernstige bijwerkingen dan het atypische antipsychotische Leponex.
De afgelopen jaren wordt Seroquel echter ook in toenemende mate voorgeschreven bij patiënten met een bipolaire stoornis, bij patiënten met een angststoornis, bij depressie, slapeloosheid. zelfs voor mensen met een kwetsbare persoonlijkheid, sociaal kwetsbare individuen en bij mensen die een verhoogd risico hebben op overgewicht, diabetes en hartproblemen.
Dit zonder dat voldoende is aangetoond dat Seroquel helpt bij deze andere aandoeningen. De nadelige bijwerkingen worden op de koop toegenomen. Helaas komt het fenomeen om een medicijn te gebruiken als een Zwitsers zakmes of als wonderolie wel vaker voor in de medische wereld.
Naar de redenen hiervan kan ik slechts gissen. Kopieergedrag, verlegenheid vanwege therapieresistentie bij een ander middel? Artsen zijn doeners en gaan risico niet uit de weg. Wanneer zij iemand met een probleem zien waarvoor zij niet direct een oplossing weten, zullen zij eerder actie ondernemen dan geen actie, ook al hebben zij geen zekerheid over de gevolgen van het medicijn dat zij voorschrijven.
Natuurlijk hebben artsen het principe “ berokken de ander geen schade toe” tijdens hun opleiding ingepeperd gekregen. Echter niets doen kan ook schade berokkenen. Dan maar liever iets doen.
Natuurlijk hoeft het niet verkeerd te zijn, iets te proberen waarvan je de gevolgen niet helemaal kunt overzien. Zolang je dit maar doet in voortdurend overleg met de patiënt. Dat laatste vraagt echter meer dan controleafspraken. Ook al omdat de patiënten waar het hier om gaat, vaak niet goed kunnen verwoorden wat de effecten van medicijnen zijn.
Alle reden dus om het gebruik van Seroquel en de beschreven effecten daarvan eens goed te belichten.

Indicatie en gebruik:

Seroquel tabletten en langwerkende Seroquel tabletten worden gebruikt voor de behandeling van aandoeningen die een gestoord of ongebruikelijk denken veroorzaken, verlies van interesse in het leven en sterke of onaangepaste emoties.
Seroquel tabletten worden ook gebruikt voor de behandeling van episodes van manie (abnormaal opgewonden of geïrriteerde gemoedstoestand) of depressie. Bovendien worden Seroquel-tabletten en tabletten gebruikt om episodes van manie of depressie bij patiënten met een bipolaire stoornis te voorkomen.

Farmacologie

Het atypisch antipsychoticum Seroquel, is een derivaat van dibenzothiazepine , en gaat in de neuronen van de hersenen een interactie aan met een breed spectrum neurotransmitters.Seroquel dat luistert naar de stofnaam Quetiapine toont een affiniteit voor serotonine 5HT2 en 5-HT1A receptoren.

Quetiapine ofwel Seroquel is antagonist van de neurotransmittors dopamine-, serotonine- en noradrenaline en een krachtig antihistaminicum met enige anticholinergische eigenschappen. Quetiapine bindt sterk aan serotoninereceptoren; het medicijn werkt als partiële agonist bij 5-HT1A-receptoren. [58] Seriële PET-scans die de D2-receptorbezetting van quetiapine evalueren, hebben aangetoond dat quetiapine zeer snel disassocieert van de D2-receptor. [59] Theoretisch maakt dit normale fysiologische stijgingen van dopamine mogelijk om normale effecten op te wekken in gebieden zoals de nigrostriatale en tuberoinfundibulaire routes, waardoor het risico op bijwerkingen zoals pseudo-parkinsonisme evenals verhogingen van prolactine wordt geminimaliseerd. [60] Sommige van de geantagoniseerde receptoren (serotonine, norepinefrine) zijn eigenlijk autoreceptoren waarvan de blokkering de neiging heeft de afgifte van neurotransmitters te verhogen. Bij zeer lage doses werkt quetiapine voornamelijk als een histamine-receptorblokker (antihistaminicum) en α1-adrenerge blokkers. Wanneer de dosis wordt verhoogd, activeert quetiapine het adrenerge systeem en bindt het sterk aan serotonine-receptoren en autoreceptoren. Bij hoge doses begint quetiapine belangrijke hoeveelheden dopamine-receptoren te blokkeren. Off-label voorschriften, b.v. voor chronische slapeloosheid wordt een lage dosis quetiapine niet aanbevolen vanwege de schadelijke bijwerkingen.

Farmacokinetische eigenschappen

De pharmacokinetica van quetiapine zijn lineair binnen het van de klinische dosis is gelijk voor mannen, vrouwen, rokers en niet rokers.

Absorptie:
Quetiapine wordt goed opgenomen na orale toediening. Na toediening van radioactief gemerkt quetiapine, bleek dat binnen een week, minder dan 5% onveranderd wordt uitgescheiden, waarvan (73%)in de urine en (21%) in faeces.
De belangrijkste plasmametabolieten in de mens bezitten geen significante farmacologische activiteit. De biologische beschikbaarheid van quetiapine wordt niet significant be�nvloed door gelijktijdige inname met voedsel.

De hoogste plasma concentratie quetiapine treedt op 2 uur na orale toediening.

Eliminatie and Metabolisme:
De eliminatiehalfwaardetijd van quetiapine is ongeveer 7 uur. Quetiapine wordt voor ongeveer 83% aan plasma-eiwitten gebonden Quetiapine wordt voornamelijk door de lever afgebroken. Uit in vitro onderzoek bleek CYP3A4 het enzym te zijn dat primair verantwoordelijk is voor het cytochroom P450-gemedi�erde metabolisme van quetiapine. Quetiapine en verschillende metabolieten hiervan bleken zwakke remmers van humaan cytochroom P450 1A2-, 2C9-, 2C19-, 2D6- en 3A4-activiteiten, maar slechts bij concentraties die minstens 10 tot 50 maal hoger zijn dan die bij de mens zijn waargenomen bij het gewoonlijk effectieve dosisbereik van 300 tot 450 mg/dag. Op basis van deze in vitro resultaten is het niet waarschijnlijk dat gelijktijdige toediening van quetiapine met andere geneesmiddelen zal resulteren in een klinisch significante remming door quetiapine van het cytochroom P450-gemedi�erde metabolisme van het andere geneesmiddel. Uit dierstudies blijkt dat quetiapine cytochroom P450-enzymen kan induceren. In een specifieke interactiestudie bij psychotische pati�nten werd echter geen verhoging van de cytochroom P450-activiteit gevonden na toediening van quetiapine
voorzorgsmaatregelen, Dosering en toediening).

De gemiddelde plasmaklaring van quetiapine neemt met ongeveer 25% af bij pati�nten met een ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring lager dan 30 ml/min./1,73m2) alsook bij pati�nten met een leverfunctiestoornis (stabiele alcoholcirrose), maar de individuele klaringswaarden liggen binnen het bereik zoals waargenomen bij normale pati�nten (zie Voorzorgsmaatregelen, en Dosering en Toediening).

Medicijn interacties:
Gelijktijdijdige toediening van prototype cytochrome P450 3A4(induceerdervan microsomale enzymen), fenytoine, versnelde quetiapine klaring tot het vijfvoudige (Zie voorzorgsmaatregelen, Medicijn Interacties). Gelijktijdige toediening van thioridazine versnelde eveneens de quetiapine klaring(65%) Fluoxetine, imipramine, haloperidol, and risperidone waren niet van invloed op de farmacokinetiek van (Zie Voorzorgsmaatregelen, Medicijn Interacties).

Er werd geen belangrijke interactie geobserveerd tussen quetiapine en cimetidine (een niet specifieke enzyme inhibitor). Gelijktijdige toediening van Seroquel met lithium lorazepam, of antipyrine heeft geen invloed op de onderlinge farmacokinetiek.

Proefonderzoek
Quetiapine bleek in korte termijn werkzaam bij de behandeling van schizofrenie. In drie onderzoeken van 6 weken werden patiënten die met DSM-III geclassificeerd waren als schrizofreen, behandeld met quetiapine. In alle drie onderzoeken bleek quetiapine superieur aan het placebo. Het grootste effect werd bereik bij 300 mg. per dag.

Tevens bleek dat ondanks de halwaardetijd van 7 uur, quetiapine adequaat werkte wanneer twee keer per dag werd toegediend. Dit gegeven werd ondersteund door de PET( positron emission tomography)scans waaruit bleek dat met quetiapine, de 5HT2 and D2 receptoren 12 uur volledig bezet bleven. De veiligheid en werkzaamheid van doses tot 800 mg. per dag werd niet nader onderzocht.

In de onderzoeken met placebo's werden geen verschillen gevonden in het voorkomen van het voorkomen van het Extra piramydaal syndroom. In hetzelfde onderzoek werd geen verband aangetoond tussen verhoging van de dosis quetiapine tot 750 mg. per dag en het voorkomen van het EPS, alsmede in de noodzaak van het gebruik van anticholinergica..

Anders dan veel andere antipsychotica veroorzaakt Seroquel geen blijvende stijgingen in prolactinespiegels, hetgeen als eigenschap van atypische antipsychotica wordt gezien. Er waren geen verschillen in prolactinespiegels over het gehele aanbevolen dosisbereik tussen meerdere vaste doses Seroquel en placebo bij het be�indigen van het klinisch onderzoek. Verhoogde prolactine spiegels worden in verband gebracht met bijwerkingen zoals galactorroe, amenorroe en impotentie.



Contraindicaties

Quetiapine is mag niet verstrekt worden aan patienten met een bekende overgevoeligheid voor dit medicijn of bestanddelen hiervan.


Waarschuwingen

Neuroleptisch Malignant Syndroom (NMS):
Het neuroleptisch malignant syndroom is een in potentie levensgevaarlijk syndroom dat gerapporteerd wordt in verband met het gebruik van antipsychotische medicatie, waaronder ook quetiapine.

Bij het stellen van een diagnose is het belangrijk te letten op het gelijktijdig voorkomen van een ernstige medische ziekte zoals bijvoorbeeld longontsteking en onbehandelde of inadequeaat behandelde extrapiramidale verschijnselen en symptomen. Andere belangrijke overwegingen waarbij tijdens de diagnose rekening mee ghouden moet worden zijn centrale anticholinerge toxiciteit, koortsaanvallen, door medicijnen veroorzaakte koorts en pathologie van het centraal zenuwsysteem.

Bij de behandeling van NMS moet de antipsychotische medicatie onmiddellijk gestaakt worden, dus ook quetiapine, alsmede andere medicijnen die niet essentieel zijn bij de behandeling van NMS. of toevallig andere aanwezige ernstige medische problematiek.
Na een doorgemaakt NMS moet, wanneer de antipsychotische medicatie weer noodzakelijk is de opbouw hiervan zeer zorgvuldig met de nodige voorzorgsmaatregelen geschieden daar het NMS opnieuw op kan treden.

Tardieve Dyskinesie (TD):
Alhoewel patiënten bij het gebruik van quetiapi een geringere kans hebben, tardieve dyskinesie te ontwikkelen, dan bij conventionele antipsychotica, is de kans zeer zeker aanwezig.
Ouderen met name vrouwen lopen het grootste risico op het ontwikkelen van tardieve dyskinesie. Ondanks deze ervaringen blijft het moeilijk een voorspelling te doen over het risico op tardieve dyskinesie.
Hiermee rekening houdend, dient quetiapine zodanig te worden voorgeschreven dat de kans op het voorkomen van TD zo klein mogelijk blijft.

Wanneer desondanks tekenen van TD optreden moet serieus overwogen worden de behandeling met quetiapine te staken..


Voorzorgsmaatregelen:

Hypotension and Syncope:
As with other drugs that have high alpha-1 adrenergic receptor blocking activity, quetiapine may induce orthostatic hypotension, dizziness, and sometimes syncope, especially during the initial dose titration period. Syncope was reported in 1% (22/2162) of patients treated with quetiapine, compared with 0% (0/206) on placebo, and 0.5% (2/420) on active control drugs. The risk of hypotension and syncope may be reduced by more gradual titration to the target dose (see Dosage and Administration). Quetiapine should be used with caution in patients with known cardiovascular disease (e.g., history of myocardial infarction or ischemic heart disease, heart failure or conduction abnormalities), cerebrovascular disease, or other conditions predisposing to hypotension (e.g., dehydration, hypovolemia and treatment with antihypertensive medicijns).

Cataracts:
The development of cataracts was observed in association with quetiapine treatment in chronic dog studies at 4 times the recommended human dose. Lens changes have also been observed in patients during long-term quetiapine treatment, but a causal relationship to quetiapine use has not been established. The possibility of lenticular changes during long-term use of quetiapine in man, thus cannot be excluded at this time. Eye examinations (e.g., slit lamp exam) prior to or shortly after initiation of treatment with quetiapine and at 6 month intervals thereafter, are recommended. If clinically significant lens changes associated with quetiapine use are observed, discontinuation of quetiapine should be considered.

Seizures:
In controlled clinical trials, there was no difference in the incidence of seizures in patients treated with quetiapine or placebo (incidence of 0.4 % or 3 events per 100 patient years in patients given quetiapine, compared with 0.5% or 6.9 events per 100 patient years for placebo). Nevertheless, as with other antipsychotics, caution is recommended when treating patients with a history of seizures or with conditions associated with a lowered seizure threshold.

Hypothyroidism:
Clinical trials demonstrated that quetiapine is associated with a dose-related decrease in total and free thyroxine (T4). On average quetiapine was associated with about a 90% mean reduction in thyroxine levels (both total and free). Forty-two percent of quetiapine-treated patients showed at least a 30% reduction in total T4 and 7% showed at least a 50% reduction. Maximum reduction of thyroxine levels generally occurred during the first two to four weeks of treatment with quetiapine. These reductions were maintained without adaption or progression during longer-term treatment. Decreases in T4 were not associated with systematic changes in TSH or clinical signs or symptoms of hypothyroidism. About 0.4% (10/2386) of patients treated with quetiapine experienced persistent increases in TSH, and 0.25% of patients were treated with thyroid replacement.

Cholesterol and Triclyceride Elevations:
In short-term placebo-controlled trials, quetiapine-treated patients showed mean increases from baseline in cholesterol and triglyceride of 11% and 17%, respectively, compared to mean decreases in the placebo-treated patients. There was little relation between these changes and weight changes observed during the trial.

Transaminase Elevations:
During premarketing clinical trials, therapy with quetiapine was associated with elevation of hepatic transaminases, primarily ALT (SGPT). Within a clinical trial database of 1892 quetiapine-treated patients, with baseline ALT (SGPT) levels <= 60 IU/L, 5.3% (101/1892) had treatment-emergent ALT (SGPT) elevations to >120 IU/L, 1.5% (29/1892) had elevations to >200 IU/L, and 0.2% (3/1892) had elevations to >400 IU/L. No patients had values in excess of 800 IU/L. None of the quetiapine-treated patients who had elevated transaminase values manifested clinical symptomatology associated with liver impairment. The majority of transaminase elevations were seen during the first two months of treatment. Most elevations were transient (80%) while patients continued on quetiapine therapy. Of the 101 quetiapine-treated patients whose enzyme levels increased to >120 IU/L, 40 discontinued treatment while their ALT (SGPT) values were still raised. In 114 quetiapine-treated patients whose baseline ALT (SGPT) was > 90 IU/L, only 1 experienced an elevation to >400 IU/L.

Precautions should be exercised when using quetiapine in patients with pre-existing hepatic disorders, in patients who are being treated with potentially hepatotoxic drugs, or if treatment-emergent signs or symptoms of hepatic impairment appear.

For patients who have known or suspected abnormal hepatic function prior to starting quetiapine, standard clinical assessment, including measurement of transaminase levels is recommended. Periodic clinical reassessment with transaminase levels is recommended for such patients, as well as for patients who develop any signs and symptoms suggestive of a new onset liver disorder during quetiapine therapy.

Hyperprolactinemia:
Elevation of prolactin levels was not seen in clinical trials with quetiapine, increased prolactin levels were observed in rat studies with this compound. As is common with compounds which stimulate prolactin release, the administration of quetiapine resulted in an increase in the incidence of mammary neoplasms in rats. The physiological differences between rats and humans with regard to prolactin make the clinical significance of these findings unclear. To date, neither clinical nor epidemiological studies have shown an association between chronic administration of drugs that stimulate prolactin release, and mammary tumorigenesis. Tissue culture experiments, however, indicate that approximately one third of human breast cancers are prolactin dependent in vitro; a factor of potential importance if prescription of these drugs is contemplated in a patient with previously detected breast cancer.

Possible manifestations associated with elevated prolactin levels are amenorrhea, galactorrhea, and menorrhagia.

Weight Gain:
quetiapine was associated with weight gain. In clinical trials mean weight gain after 4-8 weeks of treatment was approximately 2.1 kg, after 18-26 weeks, 3.5 kg, and at 1 year, 5.6 kg.

Potential Effect on Cognitive and Motor Performance:
Somnolence was a commonly reported adverse event in patients treated with quetiapine, especially during the initial dose titration period. Since quetiapine may cause sedation and impair motor skill, patients should be cautioned about performing activities requiring mental alertness, such as operating motor vehicles or hazardous machinery, until they are reasonably certain that quetiapine therapy does not affect them adversely.

Antiemetic Effect:
Consistent with its dopamine antagonist effects, quetiapine may have an antiemetic effect. Such an effect may mask signs of toxicity due to overdosage of other drugs, or may mask symptoms of disease such as brain tumor or intestinal obstruction.

Body Temperature Regulation:
Although not reported with quetiapine disruption of the body's ability to reduce core body temperature has been attributed to antipsychotic agents. Appropriate care is advised when prescribing quetiapine for patients who will be experiencing conditions which may contribute to an elevation of core temperature, e.g., exercising strenuously, exposure to extreme heat, receiving concomitant medicijn with anticholinergic activity, or being subject to dehydration.

Suicide:
The possibility of suicide or attempted suicide is inherent in psychosis, and thus close supervision and appropriate clinical management of high-risk patients should accompany drug therapy.

Drug Interactions:
Given the primary central nervous system effects of quetiapine, quetiapine should be used with caution in combination with other centrally acting drugs. Quetiapine potentiated the cognitive and motor effects of alcohol in a clinical trial in subjects with psychotic disorders. Alcoholic beverages should be avoided while taking quetiapine. Because of its potential for inducing hypotension, quetiapine may enhance the effects of certain antihypertensive agents. As it exhibits in vitro dopamine antagonism, quetiapine may antagonize the effects of levodopa and dopamine agonists.

CYP3A4 is the primary enzyme responsible for cytochrome P450-mediated metabolism of quetiapine. Thus, coadministration of compounds (such as ketoconazole, erythromycin, clarithromycin, diltiazam, verapamil, or nefazodone) which inhibit CYP3A4, may increase the concentration of quetiapine. In a clinical study examining the pharmacokinetics of quetiapine following coadministration with cimetidine, (a non-specific P450 enzyme inhibitor), no clinically significant interaction was observed. Clinical study data on quetiapine coadministration with specific CYP3A4 inhibitors, however is not available. Caution is thus advised when considering co-administration of quetiapine with potent CYP3A4 inhibitors (such as systemic ketoconazole or erythromycin).

Coadministration of quetiapine and phenytoin (microsomal enzyme inducer) caused five-fold increases in clearance of quetiapine. Increased doses of quetiapine may be required to maintain control of psychotic symptoms in patients coadministered quetiapine and phenytoin, or other hepatic enzyme inducers (e.g., carbamazepine, barbiturates, rifampicin). The dose of quetiapine may need to be reduced if phenytoin is withdrawn and replaced with a non-inducer (e.g., sodium valproate).

Coadministration of thioridazine (200 mg bid) with quetiapine (300 mg bid), increased the clearance of quetiapine by 65%. However, fluoxetine (60 mg daily), imipramine (75 mg bid), haloperidol (7.5 mg bid), and risperidone (3 mg bid) did not significantly alter the steady state pharmacokinetics of quetiapine.

The pharmacokinetics of lithium were not altered when coadministered with quetiapine.

Quetiapine did not induce the hepatic enzyme systems involved in the metabolism of antipyrine.

Use in the Elderly:
The number of patients 65 years of age or over, with schizophrenia or related disorders, exposed to quetiapine, during clinical trials was limited (N=38). When compared to younger patients the mean plasma clearance of quetiapine was reduced by 30% to 50% in elderly subjects. In addition, as this population has more frequent hepatic, renal, central nervous system, and cardiovascular dysfunctions, and more frequent use of concomitant medicijn, caution should be exercised with the use of quetiapine in the elderly patient, (see Dosage and Administration).

Use in Children and Adolescents:
The safety and efficacy of quetiapine in children under the age of 18 years have not been established.

Use in Patients with Hepatic or Renal Impairment:
Quetiapine is extensively metabolized by the liver. There is little experience with quetiapine in patients with hepatic or renal impairment, except in a low (subclinical) single dose study (see Clinical Pharmacology). Quetiapine should thus be used with caution in patients with known hepatic or renal impairment, especially during the initial dosing period (see Dosage and Administration).

Use in Pregnancy:
Patients should be advised to notify their physician if they become pregnant or intend to become pregnant during treatment with quetiapine . The safety and efficacy of quetiapine during human pregnancy have not been established. Therefore, quetiapine should only be used during pregnancy if the expected benefits justify the potential risks.

Use in Nursing Mothers:
The degree to which quetiapine is excreted into human milk is unknown. Women who are breast feeding should therefore be advised to avoid breast feeding while taking quetiapine.


Adverse Reactions

The stated frequencies of adverse events represent the proportion of individuals who experienced, at least once, a treatment-emergent adverse event of the type listed. An event was considered treatment-emergent if it occurred for the first time or worsened while receiving therapy following baseline evaluation.

The prescriber should be aware that the figures in the tables and tabulations cannot be used to predict the incidence of side effects in the course of usual medical practice where patient characteristics and other factors differ from those that prevailed in the clinical trials. Similarly, the cited frequencies cannot be compared with figures obtained from other clinical investigations involving different treatments, uses, and investigators. The figures cited, however, do provide the prescribing physician with some basis for estimating the relative contribution of drug and nondrug factors to the side effect incidence in the populations studied.

Commonly Observed Adverse Events in Short-term Placebo-Controlled Clinical Trials:

The following treatment-emergent adverse events, derived from Table 1, commonly occurred during acute therapy with quetiapine (incidence of at least 5%, and an incidence at least 5% higher than that observed with placebo): somnolence, dizziness, dry mouth, postural hypotension, and elevated ALT (SGPT) levels.

Adverse Events Associated with Discontinuation:

Short-Term, Placebo-Controlled Clinical Trials:
Overall, 3.9% of quetiapine-treated patients (N=510) discontinued treatment due to adverse events compared with 2.9% of placebo-treated patients (N=206). Somnolence, the single most common adverse event leading to withdrawal from quetiapine treatment, led to the withdrawal of four quetiapine-treated patients and no placebo-treated patients. Postural hypotension, hypotension, and/or tachycardia led to withdrawal of 1.8% of quetiapine-treated subjects, compared to 0.5% of placebo-treated subjects.

Combined Short-and Long-term Controlled Trial Database:
In a premarketing controlled clinical trial database of 1710 quetiapine-treated patients, 5% discontinued due to an adverse event. Somnolence was the single most common adverse event leading to withdrawal of 24 patients from quetiapine, and was the only adverse event leading to withdrawal that occurred in more than 1% of patients. Cardiovascular adverse events (e.g., postural hypotension, hypotension, tachycardia, dizziness) accounted for 20% of all subject withdrawals from quetiapine treatment. Sixteen (0.9%) quetiapine-treated subjects were withdrawn due to elevated liver enzymes. Four quetiapine-treated subjects were withdrawn because of leukopenia. Two of these subjects had at least one clinically significant, non-baseline low neutrophil count. Two quetiapine-treated subjects were withdraw from the trial because of suspected neuroleptic malignant syndrome (NMS).

Incidence of Adverse Events in Placebo-Controlled Clinical Trials:

Table 1 enumerates the incidence, rounded to the nearest percent, of treatment-emergent adverse events that occurred during acute therapy (up to 6 weeks) of schizophrenia in 1% or more of patients treated with quetiapine (doses of 150 mg/day or more) where the incidence in patients treated with quetiapine was greater than the incidence in placebo-treated patients.

Table 1: Adverse events reported for at least 1% of quetiapine-treated subjects (doses >= 150 mg/day) and for a higher percentage of quetiapine-treated subjects than subjects who received placebo in short-term, placebo-controlled Phase II-III trials
Body system and COSTART Term Percentage of subjects with adverse events *
Quetiapine (n = 449) Placebo (n = 202)
Whole body
Headache 20 17
Abdominal pain 4 1
Back pain 2 1
Fever 2 1
Nervous system
Somnolence 18 11
Dizziness 10 4
Digestive system
Constipation 9 5
Dry mouth 7 2
Dyspepsia 6 2
Gamma glutamyl transpeptidase increased 2 1
Cardiovascular system
Postural hypotension 8 2
Tachycardia 7 5
Palpitation 1 0
Metabolic and nutritional disorders
SGPT increased 7 2
SCOT increased 4 1
Weight gain 2 0
Endocrine system
Hypothyroidism 1 0
Skin and appendages
Rash 4 3
Respiratory system
Rhinitis 3 1
Hemic and lymphatic system
Leukopenia 2 0
Special senses
Ear pain 1 0
* Subjects may have had more than one adverse event.

Weight Gain:
As with other antipsychotics, quetiapine may be associated with weight gain. During acute therapy (up to 6 weeks) in placebo-controlled clinical trials, mean weight gain in patients taking quetiapine was 2.3 kilograms compared to a mean weight gain of 0.1 kilograms in patients taking placebo. In long-term trials average weight gain was 5.6 kilograms after one year of treatment (see PRECAUTIONS).

Seizures:
There have been occasional reports of seizures in patients administered quetiapine although the frequency was no greater than that observed in patients administered placebo in controlled clinical trials (see Precautions).

Neuroleptic Malignant Syndrome:
As with other antipsychotics, rare cases of possible neuroleptic malignant syndrome have been reported in patients treated with quetiapine (see Warnings).

Vital Signs:
As with other antipsychotics with alpha-1 adrenergic blocking activity, quetiapine may induce postural hypotension, associated with dizziness, tachycardia and, in some patients, syncope, especially during the initial dose titration period (see Precautions). In placebo-controlled clinical trials, postural hypotension was reported with an incidence of 8% in quetiapine-treated patients compared to 2% in placebo-treated patients. Quetiapine was associated with a mean baseline to endpoint increase in heart rate of 3.9 beats per minute, compared to 1.6 beats per minute among placebo-treated patients.

Laboratory Changes:
Transient leukopenia and/or neutropenia have been observed in patients administered quetiapine. Occasionally, eosinophilia has been observed. There were no cases of persistent severe neutropenia or agranulocytosis reported in controlled clinical trials with quetiapine.

Asymptomatic elevations in serum transaminases [SGOT (AST), SGPT (ALT)] or gamma-GT levels have been observed in some patients administered quetiapine. These elevations were usually reversible on continued quetiapine treatment (see voorzorgsmaatregelen).

Small elevations in non-fasting serum triglyceride levels and total cholesterol have been observed during treatment with quetiapine (see Precautions).

Quetiapine treatment was associated with small dose-related decreases in thyroid hormone levels, particularly total T4 and free T4. The reduction in total and free T4 was maximal within the first 2 to 4 weeks of quetiapine treatment, with no further reduction during long-term treatment. There was no evidence of clinically significant changes in TSH concentration over time. In nearly all cases, cessation of quetiapine treatment was associated with a reversal of the effects on total and free T4, irrespective of the duration of treatment (see Precautions).

ECG Changes:
Between group comparisons for pooled placebo-controlled trials revealed no statistically significant quetiapine/placebo differences in the proportions of patients experiencing potentially important changes in ECG parameters, including QT, QTc, and PR intervals. However, the proportions of patients meeting the criteria for tachycardia were compared in four 3- 6-week-placebo-controlled clinical trials revealing a 1% (4/399) incidence for quetiapine compared to 0.6% (1/156) incidence for placebo. Quetiapine use was associated with a mean increase in heart rate, assessed by ECG, of 7 beats per minute compared to a mean increase of 1 beat per minute among placebo patients. This slight tendency to tachycardia may be related to quetiapine's potential for inducing orthostatic changes (see voorzorgsmaatregelen).

Extrapyramidal Symptoms (EPS):
Table 2 enumerates the percentage of patients with treatment-emergent extrapyramidal symptoms in a short-term acute phase clinical trial comparing five fixed doses of quetiapine with placebo (n = ~ 50 patients per group), as assessed by: 1) spontaneous complaints of parkinsonism (extrapyramydal syndrome, hypertonia, tremor and cogwheel rigidity), or akathesia; 2) Simpson-Angus scores (mean change from baseline); and 3) use of anticholinergic medicijn to treat emergent EPS.

Table 2: Treatment-Emergent Extrapyramidal Symptoms, Assessed by Spontaneous Reports, Simpson Scale, and Incidence of Anticholinergic Use
  placebo Quetiapine
75 mg 150 mg 300 mg 600 mg 750 mg
Spontaneous Reports of Parkinsonian Symptoms* 10% 6% 4% 4% 8% 4%
Spontaneous Reports of Akathsia 8% 2% 2% 0% 0% 2%
Simpson Scale -0.6 -1.0 -1.2 -1.6 -1.8 -1.8
Incidence of anticholinergic use 14% 11% 10% 8% 12% 11%
*Patients may have had more than one parkinsonism adverse event


Symptoms and Treatment of Overdosage

In clinical trials, experience with quetiapine in overdosage is limited. Doses in excess of 10 g have been taken; no fatalities were reported and patients recovered without sequelae.

In general, reported signs and symptoms were those resulting from an exaggeration of the drug's known pharmacological effects e.g., drowsiness and sedation, tachycardia and hypotension.

Treatment:
There is no specific antidote to quetiapine. In cases of severe intoxication, the possibility of multiple drug involvement should be considered, and intensive care procedures are recommended, including establishing and maintaining a patent airway, ensuring adequate oxygenation and ventilation, and monitoring and support of the cardiovascular system.

Close medical supervision and monitoring should be continued until the patient recovers.


Dosage and Administration

The usual starting dose of quetiapine is 25 mg bid, titrated with increments of 25-50 mg bid per day, as tolerated, to a target dose of 300 mg/day given bid within four to seven days.

Further dosage adjustments, may be indicated depending on the clinical response and tolerability in the individual patient. Dosage adjustments should generally occur at intervals of not less than 2 days, as steady state for quetiapine would not be achieved for approximately 1-2 days in the typical patient. When adjustments are necessary, dose increments/decrements of 25-50 mg bid are recommended.

Quetiapine can be administered with or without food (see Clinical Pharmacology, Pharmacokinetics).

Clinical trials suggest that the usual effective treatment dose will be in the range of 300 - 600 mg/day (see Clinical Pharmacology, Clinical Trials). However, some patients may require as little as 150 mg/day. The safety of doses above 800 mg/day has not been evaluated.

The need for continuing existing EPS medicijns should be re-evaluated periodically as quetiapine has not been associated with treatment emergent EPS across the clinical dose range.

Elderly:
In clinical trials, 38 patients with schizophrenia or related disorders, 65 years of age or over, were treated with quetiapine (see Precautions). Given the limited experience with quetiapine in the elderly, and the higher incidence of concomitant illness and concomitant medicijn in this population, quetiapine should be used with caution. The mean plasma clearance of quetiapine was reduced by 30% to 50% in elderly subjects when compared to younger patients. The rate of dose titration may thus need to be slower, and the daily therapeutic target dose lower, than that used in younger patients.

Hepatic Impairment:
Quetiapine is extensively metabolized by the liver. Therefore, quetiapine should be used with caution in patients with known hepatic impairment, especially during the initial dosing period. The rate of dose titration may need to be slower, and the daily therapeutic dose lower, than that used in non-hepatically impaired patients, (see Precautions).

Renal Impairment:
As clinical experience is lacking, caution is advised (see Precautions).


Availability of Dosage Forms

Quetiapine is available as round, biconvex, intagliated, film-coated tablets containing quetiapine fumarate equivalent to 25 mg, 100 mg or 200 mg of quetiapine free base as follows:

25 mg quetiapine tablets are peach coloured, intagliated with 'SEROQUEL' and '25' on one side and plain on the other, available in blister packages of 60 tablets and high-density polyethylene (HDPE) bottles of 100 tablets.

100 mg quetiapine tablets are yellow coloured, intagliated with 'SEROQUEL' and '100' on one side and plain on the other, available in blister packages of 90 tablets and HDPE bottles of 100 tablets.

200 mg quetiapine tablets are white, intagliated with 'SEROQUEL' and '200' on one side and plain on the other, available in blister packages of 90 tablets and HDPE bottles of 100 tablets.

Quetiapine should be stored between 15 - 30�C.


Research

The research information is available separately on Internet Mental Health.


Note: This information is from a Canadian monograph. There can be differences in indications, dosage forms and warnings for this drug in other countries.


Internet Mental Health (http://www.mentalhealth.com/) copyright � 1995-1999 by Phillip W. Long, M.D.

Heroïne

Heroïneverslaving(afhankelijkheid) Symptomen en effecten
Heroïne (C21H23NO5), stofnaam diacetylmorfine, Heroïne structuurformule is een geurloos, bitter smakend opiaat. Het is de 3,6-diacetylester van morfine. De stof komt voor als een wit poeder of bruine, stugge kristallen, die zeer goed oplosbaar zijn in water.
verschijnings en verpakkingsvormen heroïne
Heroïne wordt gemaakt van morfine, een natuurlijke stof die wordt verkregen uit het ingedroogde melksap(ruwe opium) van de opiumpapaver of slaapbol (Papaver somniferum.
ingedroogd melksap papaver somniferum

Het Duitse Bayer bracht diacetylmorphine als een zelfzorgmedicijn op de markt en registreerde in 1898 de merknaam "heroïne".

Hoe werkt heroïne?
Heroïne kan op meerdere manieren toegediend worden:
- Intraveneus: directe injectie
  in een ader met behulp van
  een spuit en naald biedt
  de snelste werking en de
  grootste intensiteit.    Ongeveer 10% van gebruikers injecteert heroïne.
   Lees: Hoe heroïne intraveneus injecteren?
-  Roken(chinezen): inademing mondeling via zilverpapier.
   of door een pijp: 90% van de gebruikers.
-  Snuiven: rechtstreeks via de neus, eventueel met behulp van een rietje
De effecten treden binnen tien tot vijftien minuten op.
In de hersenen wordt Heroïne omgezet in morfine en bindt zich snel aan opiaatreceptoren.
Heroïne verworven op de straat wordt versneden, of gemengd met andere drugs of met witte stoffen zoals suiker, zetmeel, of melkpoeder.

Wordt je verslaafd na eerste gebruik van heroïne?
Van heroïne wordt gezegd dat je verslaafd bent en niet meer zonder kunt na het eerste gebruik. Deze stelling is hoogstwaarschijnlijk niet meer waar dan dat je verslaafd wordt aan alcohol of tabak na eerste gebruik.
In de VS documenteerde een team onder leiding van sociologe en epidemiologe Lee Robins veteranen die in Vietnam verslaafd waren geraakt aan heroïne, die bij terugkeer 19 van de 20 keer spontaan en zonder problemen stopten met heroïnegebruik.
Een van de kernbevindingen van het inmiddels opgeheven centrum v voor drugsonderzoek CEDRO in Amsterdam was, dat veruit het meeste druggebruik vanzelf stopt als de levensstijl van de gebruiker verandert.

Een waarschuwing is op zijn plaats:
Straatheroïne verschilt in sterkte en zuiverheid. Hierdoor kan er een aanzienlijk effect op de symptomen en bijwerkingen bij de gebruiker optreden.
Heroïne misbruik en verslaving zijn zeer ernstige medische aandoeningen. Ze vereisen zorg van verslavingsartsen die ervaring hebben met detox en onttrekking van opiaten.
Abstinentie van heroïne op lange termijn kan plotseling ernstige medische complicaties veroorzaken, waaronder de dood. Heroïne detox moet niet thuis worden geprobeerd, of zonder toezicht van een verslavingsarts die regelmatig patiënten behandelt voor Heroïne afhankelijkheid. Als u bij uw dierbare geconfronteerd wordt met een overdosis heroïne of andere opiaten of met ontwenningsverschijnselen, bel 112 voor noodhulp.

Wat zijn de oorzaken van heroïneverslaving?
Heroïneverslaving wordt gekenmerkt door dwangmatig drugs zoeken en gebruiken.
Misbruikers melden het gevoel een sterke toename van een aangename gewaarwording die door niets te evenaren is. Deze gewaarwording wordt aangeduide met flash. Deze flash gaat meestal gepaard met warme sensatie van de huid meestal aangeduid als een rush. Blozen in gewoon Nederlands. Verder ervaart de gebruiker een, droge mond, en een zwaar gevoel in de ledematen.
De intensiteit is afhankelijk van de dosis en de snelheid waarmee heroïne in de hersenen komt. Heroïne is bijzonder verslavend omdat het de hersenen zo snel bereikt.
Gebruikers rapporteren hierover dat zij tijdens het begin van het gebruik menen controle te hebben over het gebruik. Pas veel later realiseren zij zich dat zij helemaal geen controle over hun gebruik hebben. Hun hersenen lijken op het gebied van gebruik de controle volledig verloren te hebben. Zij lijken echter ook niet meer een afweging te kunnen maken over hoe groot de impact van hun gebruik is op hun sociale leven. Het sociale leven en ook werk lijkt voor hen niet van belang.
Een ex-gebruiker meldde mij: "Wanneer het zover was gekomen dat ik mijn moeder had moeten verkopen om te kunnen gebruiken, had ik het zonder nadenken gedaan.
In zeker zin is dit gebruikersgedrag van heroïne verslaafden, vergelijkbaar met alcoholgebruikers die menen dat zij zonder problemen een auto kunnen besturen, terwijl ze in nuchtere toestand weten dat drankgebruik gepaard gaat met een slechtere coördinatie.

Familie, vrienden of collega's kunnen bij hun dierbare een aantal symptomen en effecten van het gebruik van heroïne waarnemen

  - heroïnegebruik blokkeert het vermogen van de hersenen om pijn waar te nemen.
  - Kortademigheid
  - Droge mond
  - Zeer kleine pupillen
  - Plotselinge veranderingen in gedrag.
  - Desoriëntatie
  - hyper waakzaamheid gevolgd door afwezigheid
  - Een neerslachtige houding

Gedrag dat wijst op heroïne misbruik en verslaving:
  - Het bezit van spullen die dienen voor gebruik, injecteren of consumeren heroïne: Naalden of    spuiten die voor andere medische doeleinden, geblakerde zilveren lepels, aluminiumfolie of    kauwgom wikkels, ontbrekende schoenveters die gediend hebben om de arm af te binden en zo    een geschikte ader voor injecteren te vinden, pijpjes met brandplekken,kleine plastic zakjes, met    wit ;poederachtige residu
  - Het dragen van een lange broek of lange mouwen om wonden en blauwe plekken van gebruik   injectienaalden te verbergen.
  - Liegen, verheimelijken tegen ouders, partner, hulpverleners. Tegenover artsen die opiaten   voorschrijven wordt het gebruik juist overdreven om meer middelen te verkrijgen. Er wordt   veelvuldig op schuldgevoelens ingespeeld.
  - Herhaaldelijk stelen of lenen van geld van dierbaren, of onverklaarbare afwezigheid van   kostbaarheden
  - Toename van schorre onduidelijke, onverstaanbare of onsamenhangende spraak
  - Het vermijden van oogcontact, of in de verte staren
  - Plotselinge veranderingen in gedrag.
  - Een aanzienlijke toename van de tijd doorgebracht in bed
  - Afnemende aandacht voor hygiëne en fysieke verschijning
  - Vijandig gedrag in de richting van dierbaren, met inbegrip van hen de schuld te geven voor het   verlies van of breken met de relatie
  - Terugtrekken uit contact met vrienden en familie, in plaats daarvan tijd doorbrengen met nieuwe   vrienden met geen natuurlijke band
  - Plotselinge verslechtering van de prestaties op school of op het werk, met inbegrip van   huisuitzetting en verlies van banen
  - Verlies belangstelling voor doelen, hobby's en favoriete activiteiten.
  - Reacties die wijzen op verlies van eigenwaarde.

Gevolgen heroïne gebruik
Gebruikers bouwen tolerantie voor heroïne, wat leidt tot toename van de frequentie en hoeveelheid heroïne. Met de groeiende tolerantie, komen de meer definitieve fysieke symptomen van Heroïne misbruik en verslaving naar voren:

  - Gewichtsverlies
  - Loopneus
  - Naaldsporen, littekens en blauwe plekken zichtbaar armen.
  - Infecties en abcessen op de injectieplaats
  - Voor vrouwen, het verlies van de menstruele cyclus (amenorroe)
  - Snijwonden, kneuzingen en korsten van de huid door kapotkrabben
  - hyper waakzaamheid gevolgd door afwezigheid
  - Een neerslachtige houding

Wat zijn de bijwerkingen van heroïneverslaving?
De bijwerkingen zijn niet voor elke gebruiker hetzelfde. De dosering speelt een belangrijke rol. Wanneer er sprake is van afhankelijkheid van een andere chemische substantie beïnvloedt dat ook de presentatie, complicaties en bijwerkingen van heroïnegebruik.
Bijwerkingen van Heroïne misbruik en verslaving variëren naarmate de verslaving vordert.
Andere chemische afhankelijkheid kan de presentatie van complicaties en bijwerkingen van Heroïnegebruikbe‹nvloeden.
  - Gezien vereiste nauwkeurige titrering van een dergelijke krachtig verdovend middel als heroïne. Kan er na de flush misselijkheid en overgeven volgen en ernstige jeuk.
  - Verzwakte ademhaling (oppervlakkige ademhaling)
  - Versuffing.
  - sterke jeuk die leidt tot dwangmatig krabben en plukken aan de huid.
  - Verminderde pijn van zowel fysieke omstandigheden of emotionele problemen
  - Hartproblemen, infectie van het hart, de vaten en kleppen
  - Besmettelijke ziektes zoals HIV en Hepatites B en C opgelopen via gedeelde naalden.
  - Chronische longontsteking of andere longziekten
  - Bloedstolsels of dood weefsel als gevolg van ingestorte aderen of onzuiverheden
  - Bacteriële infecties
  - Artritis en andere reumatologische problemen
  - Epileptische aanvallen
  - Omdat Heroïne verslaafden de sterkte en versnijding van de straatheroïne niet kunnen weten, lopen ze het risico van overdosering en zelfs overlijden.

Studies tonen aan dat de gemiddelde Heroïnegebruiker na vijf jaar gebruik een negentig procent kans heeft op hepatitis C.

Ontrekkingsverschijnsel of ontwenningsverschijnselen:
Wanneer de gebruiker geen heroïne tot zijn beschikking heeft of besluit te stoppen met het gebruik, treden onaangename ontwenningsverschijnselen op. Deze ontwenningsverschijnselen zijn zo onaangenaam dat ze een drijvende factor zijn achter veel heroïne recidieven . Bij heroïne verminderen of stoppen beginnen ontwenningsverschijnselen in slechts zes tot 12 uur na de laatste toediening. De ontwenningsverschijnselen bereiken een piek 1-3 dagen na de laatste dosis en verdwijnen na vijf tot zeven dagen .
Hoewel ontwenning zelden dodelijk is, kan het ernstige gezondheidsproblemen vormen voor degenen die aan HIV / aids lijden of die zwanger zijn. Typische ontwenningsverschijnselen zijn:
  - Ontevreden of onaangename stemming ( dysforie ) .
  - Misselijkheid.
  - Braken .
   -Zweten.
   -Kippenvel.
   -Verwijde pupillen.
   -Spierpijn.
   -Verhoogd oogtranen.
   -Loopneus.
   -Geeuwen.
   -Koorts.
   -Diarree.
  - Slapeloosheid.
   -Prikkelbaarheid.
   -Verhoogde pijngevoeligheid .
   -Spontane zaadlozing.

De Wet:
Hoewel bepaalde opiaten wettelijk mogen worden voorgeschreven voor de behandeling van ernstige pijn is heroïne door de overheid op lijst 1 gezet, Op lijst 1 staan drugs met, zoals de wet dat noemt, een onaanvaardbaar risico vanwege de verslavende eigenschappen. Het gaat dan om drugs als cocaïne, amfetamine, XTC, heroïne en LSD. In totaal staan er tientallen drugs op lijst 1. Literatuur Geerlings, F.J., Medische aspecten van de heroïneverslaving. Nederlands Tijdschrift Geneeskunde nr. 27: 123,1979

thuistest heroïne

test zuiverheid heroïne

Interacties Clozapine en koffie

Interacties Clozapine en koffie
Clozapine en cafeïne worden allebei voornamelijk gemetaboliseerd door het cytochroom of enzymP4501A2 (CYP1A2). Bij gelijktijdige inname remt cafeïne de activiteit van P4501A2, waardoor de clozapinespiegel stijgt. Een dagelijkse cafeïne-inname van 400-1000 mg kan bij sommige patiënten een klinisch relevante interactie geven.
Als de inname van cafeïne verandert, zijn wijzigingen in de clozapinedosis nodig. Stoppen met de inname van cafeïne kan de clozapinespiegel met wel 50% verlagen. cafeïne zit in koffie en coca cola.
"Ik voel me vreemd na inname van Clozapine. Hoe kan dat?"
De meeste patiënten rapporteren duizeligheid. Dit is een bijwerking van de Clozapine. mogelijke bijwerkingen Clozapine
1) gewichtstoename
2) speekselvloed `s nachts
3) droge mond
4) concentratieproblemen (soms)
5) angst (vroeger).

Coping (manier om met de bijwerking om te gaan):
1) geen cola, koffie of thee drinken met inname medicatie
2) `s ochtends lauw water drinken; minder eten; `s nachts niet snacken; minder snoepen; vezelrijk voedsel eten.
2) melden aan behandelaar. Atropine gebruiken; watjes of washandje deppen; Handdoek of hoes om kussen; medicatie aanpassen, eventueel verminderen.
3) snoepje nemen; water drinken
4) “even nadenken”; oefenen; therapie; medicatie aanpassen; Stop Denk Doe-methode toepassen.
5) angst therapie volgen (cognitieve gedrags therapie of angst-confrontatie therapie); lef tonen.
6)Bijwerkingen bespreken met behandelaar en psychiater:

Subcategorieën